Column
Afbeelding: Linda Zoon

De laatste updates van Ebru, over Ebru.

De geboorte van een columnist

Dat schrijven een vak was, had ik nooit beseft. Water komt uit de kraan, de krant wordt elke dag bezorgd. Dat mensen daar iets mee te maken hebben, dat ze handelingen verrichten – schrijven! – was nooit echt tot me door gedrongen.

Totdat mijn eerste stuk in de krant verscheen. Het stond er echt: Ebru Umar. Mijn naam. Voor het eerst in mijn leven had ik geld met mijn eigen handen verdiend. En dat terwijl ik al 32 was, een eigen huis had, mijn zoveelste auto reed en alles kocht waar ik zin in had. Dat je geld met je handen verdient, was me nog nooit zo duidelijk geworden.

Ik schrijf al mijn hele leven, maar ja, doet niet iedereen dat? Brieven, enorme epistels. Kaarten. Ik kreeg ook brieven en kaarten terug. Daarnaast kon ik goed vertellen, maar ja, kan niet iedereen dat? Internet kwam op, email maakte mijn schrijfsels toegankelijk voor meer mensen. ‘Je schrijft zo leuk, daar moet je wat mee doen’ was een veelgehoorde reactie. Ik haalde mijn schouders op. Wat dan?! In mijn universum bestond alleen het zakenleven. Carriere maken waar auto’s en laptops en zakenreizen bij hoorden. Totdat ik op een dag liefdesverdriet kreeg en alles van me afschreef. Als een bezetene, schrijven schrijven schrijven. Wat er van die epistels geworden is, ik weet het niet. Waarschijnlijk heb ik ze in de laatste verhuiswoede weggeflikkerd. Op een gegeven moment was er een hausse aan artikelen over vrouwen van 30+ die over alles lopen te zeiken en geen man hebben. Artikelen met titels als ‘Jong vrouw hip en ongelukkig’, ‘Superwomen’, Bitches Jones. Het hield maar niet op, in alle artikelen werden vrouwen weggezet als gek, het aandeel van mannen in het leven van de 30+ vrouw kwam vrijwel niet aan bod.

In een vlaag van verstandsverbijstering schreef ik een tegenartikel: ‘Jong man hip en gestoord’. Ik stuurde het naar VN, en werd gebeld: ‘hilarisch, we gaan het plaatsen’. Eerlijk? Dat het goed was, wist ik. Dat het geplaatst zou worden, leek me vanzelfsprekend. Maar dat dat een verdienste was, ging aan me voorbij. En toen werd Pim Fortuyn vermoord. De VN redactrice belde me: ‘Dit is het einde van de democratie, we kunnen dit nu niet plaatsen.’ Ik haalde mijn schouders op: dan plaats je het toch niet? Het was geen halszaak. De moord op Pim Fortuyn wel.

In het najaar van 2002 bleef ik schrijven, nog steeds voor mezelf maar mijn stukken werden maatschappelijker. Dyab AbouJahjah, de Palestijnse Belg maakte zijn entree in het publieke debat en alle presentatoren gingen af als een gieter. Geen weerwoord op een welbespraakte niet-Nederlander. Een brutale allochtoon die een foutloze volzin kon uitspreken – WOW. De bekrompenheid van de NPO werd blootgelegd. Dat niemand die gast van repliek diende, frustreerde me. Dus ging ik het doen. Ik volgde zijn optredens in Nederland en trok met mijn vragen de aandacht van de Nederlandse pers. Ik gaf hem weerwoord – WTF?!  Mijn weerwoord aan de pers was duidelijk: ‘dáár moet je zijn, ik zit hier jullie werk te doen, rot op!’ Vergeet niet: ik werkte destijds keurig als business developer bij Wolters Noordhoff en reed een gloednieuwe Saab – waardeloze auto btw, er gaat niets boven een Duitser maar iedereen maakt fouten.

Toen Dyab Aboujahjah en Jort Kelder in het programma Krachtstroom optraden dat geregisseerd werd door Theo van Gogh, schreef ik ook daar een stukje over. Theo las het en wilde het op de site plaatsen. Ik schrok ervan: ‘maar dan leest iedereen het!’. Dat was precies de bedoeling merkte Theo droogjes op. Oké dan. Doe maar. De week erop belde Karel Gabler me, de webmaster van Theo. Of ik nog een stukje had. Ik schrok ervan. Hadden we dat afgesproken, was ik een afspraak vergeten? ‘Nee, maar doe maar, dat is leuk,’ zei Karel.

Theo gaf me het podium, maar Karel gaf me het zetje om te worden wie ik ben. Wat ik ben: columnist. Eeuwig dankbaar.

PAUW: Ebru Umar weer terug in Nederland na landarrest in Turkije

(Klik op de afbeelding om de uitzending te openen)

pauw

Turkish Twilight Zone: hoe gaat het met je?

Het is de meest gestelde vraag van de afgelopen 4.5 maand: hoe gaat het met je?

Een obligaat ‘goed’ volstaat niet. Het is ook niet juist.

Niet dat het niet goed gaat, het gaat echt heel goed. Maar het gaat nog niet net zo goed als voor 23 april, voordat ik door twee Turkse special agents van m’n bed werd gelicht en de idioterie genaamd Turkish Twilight Zone van start ging. Wat zich heeft afgespeeld in die zeventien dagen dat de Turken mij omarmden als één van hun onderdanen en de Nederlanders met man en macht mij uit hun klauwen probeerden te halen want één van hún onderdanen, is niet echt goed te bevatten.

Alles in Turkije was hetzelfde: de zon, de zee, het strand, het uitzicht. En alles was anders, vooral het gezelschap: advocaten, consulair medewerkers, ouders en journalisten. Ik werd geleefd, de willekeur van het Turkse justitiële apparaat kent geen grenzen. Alleen zware criminelen worden midden in de nacht van hun bed gelicht – en ik. Alleen zware criminelen mogen niet de nacht thuis doorbrengen – en ik. Alleen zware criminelen worden van politiebureau naar politiebureau gesleept – en ik. Eerlijk is eerlijk: de Turken wisten niet wat ze overkwam. Dat ik staatsgevaarlijk zou zijn, konden ze niet geloven. Ondertussen kwamen in de nacht van 23 april uit Ankara (!!!) berichten dat ik vastgehouden moest worden. De agenten die me van huis opgehaald hadden, baalden als een stekker. “Onze dienst zat er al op, en toen moesten we jou gaan halen.” Op mijn bitse “Je had ook kunnen zeggen dat je me niet had gevonden, je had me kunnen waarschuwen en ik had kunnen verdwijnen” reageerden ze met een eerzuchtig ‘nee’. Want “Wij staan niet achter dit regime, wij gunnen jou ook je vlucht terug naar huis maar wij doen alleen maar ons werk”. Een ‘weet je wie ook alleen maar z’n werk deed’ slikte ik in. Maar ik zei wel iets in die trant. Woedend.

Mijn houding verbaasde de agenten. Mij misschien ook wel. In Turkije is de man met de strepen de baas, de rest zegt ja en amen. Terwijl ik het opschrijf moet ik lachen. De baas? Flikker toch op eikel, je hebt me van mijn bed gelicht en waarom? Omdat eoa anoniempje via internet klaagt over beledigen. Are you fucking kidding me? Dalgami geciyorsun?! Op het hoogtepunt van de avond stonden zeker tien agenten om me heen in een poging me te intimideren. Ik lachte ze uit. Het waren kippen zonder koppen, geen idee wat ze na middernacht op een gesloten kantoor kwamen doen – ja eoa Turk met Nederlands paspoort vasthouden maar waarom? Lever je laptop in, lever je telefoon in – ehm, NEE. NEE NEE NEE. Een vrouwelijke agent pakte m’n spullen af – een man mag een buitenlandse vrouw niet aanraken. Toch boeiend dat ze zelf ook niet precies wisten of ik nou een buitenlandse of een Turk was. Mijn gedrag was iig alles behalve Turks (= gedienstig en geïntimideerd) dus ze namen waarschijnlijk het zekere voor het onzekere.

Hoe dan ook, de rest is geschiedenis. Zeventien dagen hielden de Turken me vast. Als het aan de Turken had gelegen waren daar nog minstens zeventig bijgekomen maar vanuit Nederland is hemel en aarde bewogen om me op een legale manier weg te krijgen. Vraag me niet hoe legaal het geweest is (mijn advocaten stonden met open mond te kijken), maar dat ik op een Transavia vlucht terug naar Nederland zat, is een feit.

Hoe gaat het dan met je?

Zeventien dagen in een werkelijkheid die niet klopt als hoofdrolspeler in een soap die je niet zelf geschreven hebt, is idioot. Het doet wat met je. Zeker als je bij terugkomst in Nederland wederom terechtkomt in een werkelijkheid die niet klopt: 17 april verliet ik mijn woning in Amsterdam – om er nooit meer terug te komen. 25 april mijn woning in Kusadasi – om er nooit meer terug te komen. Onvoorbereid. Zonder afscheid. Zonder afronding.

Punt.

Hoe gaat het dan met je?

Als je een verhuizing plant, schijnt het al stressvol te zijn.

Als je in een maand tijd twee keer verhuist, is het stressvol tot de macht oneindig. Er zit dan maar één ding op: negeren en de boel ondergaan. Focussen op de mensen die zich voor je inzetten, die het beste met je voor hebben en die er alles aan doen om je te helpen je leven op te pakken. Telegraaf Media Groep staat met stip bovenaan als het gaat om helpen. Zodra het vliegtuig landde op Schiphol werd ik opgevangen. Mijn laptop en telefoon werden ingenomen en er werd onderdak voor me geregeld. Een nieuwe laptop en telefoon werden overhandigd. Als ik om een chaperonne had gevraagd, was die meegeleverd. Vrienden vingen me op – hoe heerlijk was dat. Ik hoefde niets, behalve slapen, eten en praten. Mijn ouders kwamen terug uit Turkije en ik verhuisde naar casa mama. Op mijn mededeling dat ik daar wel tot begin september zou blijven, gingen alle alarmbellen af bij mijn moeder: “het kan me niet schelen wat het kost maar die nieuwe woning moet zsm af”. Je kunt wel blijven hangen in de ellende dat je uit twee huizen gepest bent, maar als er nog een derde woning op je wacht, waar heb je het dan over? Het was een investering, die derde woning, een pied a terre, een ‘hotelkamer’ zoals mijn moeder opbeurend zei toen ik voor de aankoop bleef klagen dat het klein was. Maar ja, dat was in maart. Eind mei, begin juni promoveerde de hotelkamer tot hoofdwoning.

Hoe gaat het dan met je?

Zolang je je focust op het feit dat je niet onder een brug woont, gaat het prima. Meesterlijk. Maar de waarheid is dat een verhuizing een verandering in je leven is. Twee verhuizingen zijn een verandering tot de macht oneindig en een gedwongen verhuizing waarbij je weet dat een stel kloteturken staat te juichen, vergt ruggengraat. Blijven hangen in dat je Rotterdamse hotelkamer net zo groot is als je werkkamer in Amsterdam, leidt nergens toe. Behalve frustratie – maar mag het ajb? Schoppen schreeuwen en huilen – het zat er niet in. Werklui in de nek hijgen dat die hotelkamer die omgetoverd werd tot hoofdwoning af moet, wél. Ze deden hun best. Trokken bleek weg toen de verhuiswagen voor kwam rijden en de boel nog niet af was maar schikten zich. De verhuiswagen leverde voor 1800 euro zes meubelstukken af – meer past er gewoon niet. Ja, het zijn misschien maar spullen maar die spullen definiëren wel je thuis, je leefomgeving. De spullen staan nu bij familie en vrienden, er staat nog een hele huisraad in Amsterdam; ik denk dat ik er een stel Syriërs blij mee ga maken. Je moet toch wat. Het vergt tijd om te accepteren dat dit het is – en dit is het nou eenmaal.

Maar hoe het nou gaat?

Stukken beter. Onwaarschijnlijk veel beter. Toen ik half mei terug was in Nederland, werd ik confronteerd met wat voor 23 april een vanzelfsprekendheid was: vrijheid. Je weet pas wat vrijheid is, als het je is afgenomen. De confrontatie met vrijheid om te gaan en staan waar je wilt, is onwaarschijnlijk in your face. Dat alle mensen die je daarbij – ook in vrijheid – tegenkomt en die aardig tegen zijn, is letterlijk en figuurlijk schrikken. Nog steeds schrik ik als mensen naar me toe komen en tegen me beginnen te praten. Ken ik ze? Wat moeten ze van me? Zijn ze eng of gevaarlijk? Totdat tot me doordringt: ze spreken bemoedigende woorden. Ze zijn aardig tegen me. Ze steunen me. Mijn moeder moest in het begin telkens weer huilen als ze het meemaakte. Ik deed een stap naar achteren (kom ajb niet te dichtbij) en perste er een glimlach uit. Inmiddels kan ik blijven staan, haal ik adem, tover ik een glimlach tevoorschijn en bedank ik ze. Ik vind het nog steeds eng als mensen op me af komen, maar ik kan het weer aan.

Vanuit Den Haag werd ik gewaarschuwd, evenals door de TMG medewerkers die me begeleidden: “Ebru, je hebt het niet in de gaten maar je hebt heel veel meegemaakt, het is normaal dat je niet optimaal functioneert.”

Niet optimaal functioneert was een understatement: ik was continue moe, sliep niet meer dan vier uur per nacht en kon ook overdag niet slapen. Een gesprek met meer dan één persoon kon ik niet aan – als er bezoek was bij mijn moeder, trok ik mij terug. Afrekenen in een winkel en mensen anders dan de cassiere die me aanspraken: WTF?! De dag dat ik zes flessen prosecco wilde en de Gall en Gall medewerker op een assortiment van een miljoenmiljard flessen wees, kon ik wel janken. Misschien heb ik dat ook wel gedaan: “Ik wil zes flessen, zes. Van de soort waar je er zes van hebt!”. Werken kon ik wel: mijn eerste interview deed ik vanuit Turkije, mijn hoofd stond er niet naar maar ik kon me focussen. Het tweede interview dat ik vanuit Nederland deed, was ook nog een ding. Het derde ging al een stuk beter – hoewel ik tot twee keer toe het tijdstip vergat (sorry Ferry Doedens, DANK voor je begrip!). Tot op de dag van vandaag heb ik moeite met tijdstippen en data – ook gesprekken over geld in de vorm van investeringen kan ik niet aan. Alles wat ik moet doen waar getallen inzitten, moet ik met zorg bijhouden. Meteen na terugkomst kocht ik een papieren agenda – dat digitale gedoe trek ik nog steeds niet.

En hoe het dan nu gaat?

Het gaat goed. Het gaat extreem goed. De twee psychologen bij wie ik aanklopte zeiden los van elkaar dat ik een extreem zelfhelend vermogen heb; ik doe alles al wat zij me zouden moeten bijbrengen. Ik blijf niet hangen in ellende, ik kan de downside benoemen maar weet er ook de upside tegenover te zetten, in mijn nachtmerries verwerk ik de boel zoals het hoort. Allebei de psychologen stuurden me na de eerste sessie weer weg. Toch ben ik gebleven: mijn moeder wilde het graag. In totaal heb ik vier sessies gehad en ben ik twee keer bij slachtofferhulp geweest vanwege de klote mocro die me beroofde. Misschien moet ik hier nu criminele mocro zetten maar zeg nou zelf: mocro die me beroofde zegt al genoeg. De dame bij slachtofferhulp was geweldig. Ook zij zag geen problemen met mijn herstel: “je durft erover te praten, je durft te huilen en je kijkt vooruit”. Ik wist niet dat er andere opties waren maar het deed en doet me goed.

Het gaat goed

Ik durf weer onder de mensen te komen, ik hou van mijn nieuwe huisje, ik accepteer dat er maar drie stoelen inpassen, ik kijk niet meer op Funda, ik heb een house warming voor de buurt gegeven, mijn Amsterdamse vrienden komen naar Rotterdam, ik ben nog minstens 1x per week in Amsterdam, ik heb mijn Rotterdamse vriendschappen aangehaald, ik slaap weer zeven uur per nacht, ik kan dagelijks twee, drie afspraken aan, ik sport drie, zo niet vier keer in de week zonder bij te hoeven slapen en ik durf weer vooruit te kijken, vooruit te denken. Een enorme opluchting. Ik ben er trots op dat ik ondanks mijn landarrest en de nasleep ervan aan al mijn werkverplichtingen heb voldaan, en ik durf het weer aan om werk aan te nemen. Ik kijk uit naar de verkiezingen – voor zover je daar zin in kunt hebben. En ja, de drukte die dat met zich mee zal brengen, ben ik best huiverig voor maar ik heb er alle vertrouwen in dat het lukt. Ja, het gaat goed. Misschien nog niet zo goed als voor 23 april maar ik ben weer gelukkig. Het gaat elke dag een beetje beter.

Expeditie Erdogan

Van Koefnoen

Arthur van Amerongen

Hij ziet er niet uit – althans, niet als de overige mannen in mijn omgeving. Geen merkkleding, geen schoenen die indruk maken en de stoppels op zijn gezicht zijn niet hipster gecultiveerd maar authentiek; als hij voor Albert Heijn een daklozenkrant zou aanbieden, zou je hem een euro in de hand duwen. Hij is luid. Welspraak. Intelligent. Wéét dingen, kan oreren zonder te vervelen. Maakt geen geheim van zijn voorliefde voor alcohol en geestverruimende middelen. Autistisch eerlijk, hard en direct. In your face. Met een pen waar de felicitatiedienst van de grachtengordel niet tegenop kan. Kortom: woest aantrekkelijk.

In de tijd dat ik Arthur van Amerongen leerde kennen, leefde Theo van Gogh nog. Samen met zijn vriend Robbie Muntz en Paul van de Wint maakte hij radio- en tv-programma’s die door de elite cq grachtengordel verafschuwd werden want totaal politiek incorrect. De mannen kwamen allemaal uit keurige gezinnen, maar permitteerden zich om zichzelf te zijn. Niets en niemand ontziend, zichzelf al helemaal niet. Hier geen zelfverheerlijking en bewieroking van de eigen soort maar rücksichtsloze directheid. Helder. Hard. Muntz belde me op: ‘ik vind jou leuk, ik kom jou interviewen’. Op mijn ‘maar ik ben helemaal niet leuk!’ volgde een ‘O ik vind je nu nóg leuker!’. Zonder hem ooit gezien te hebben, viel ik voor Robbie. Getrouwde man – uiteraard. We werden vrienden en hadden lol met alles wat we maakten, deden en organiseerden. Professionele lol. Wat Van Amerongen, Muntz en Van de Wint in die tijd maakten, kan nu niet meer. Grappen over het geloof, of het nou gristengekkies of moslimidioten zijn. Aanschoppen tegen alles wat onbespreekbaar is – het koningshuis en de islam voorop – en vooral hard lachen. Op een avond eindigden Muntz en Van Amerongen bij mij thuis; Arthur had een gratenpakhuis bij zich waar ik – benen, billen, borsten – uiteraard jaloers op was maar ook een instant genegenheid voor voelde. Edith Mastenbroek. Knettergek maar superlief passioneel wijf met wie Van Amerongen trouwde – en weer van scheidde.

Theo werd vermoord.

Robbie en Paul werden ontslagen door tv-makend Nederland nadat ze een absoluut smakeloos item hadden gemaakt voor de VPRO waarbij Robbie Adolf nadeed in de straten van Wenen tussen de orthodoxe joden. Terwijl ik het opschrijf moet ik schuddebuiken – ook smakeloos. Stijlloos vooral.

Edith stierf.

En Arthur schreef. Hij schreef zich de vernieling in maar is dat niet de essentie van schrijven? Dat die professionele vernieling gepaard ging met een lichamelijke, maakte hij geen geheim van. Alcohol en geestverruimende middelen hielpen hem door zijn dag, werk en leven. Zijn pen haperde niet maar talent is in Nederland het laatste middel om rekeningen mee te betalen en nadat Van Amerongen Brussel: Eurabia had voltooid was zijn verkettering door weldenkend, -vindend en –bepalend Nederland definitief. En dat alleen omdat hij een jaar onder fundamentalistische moslims in België doorbracht om moslim te worden – de gek! – en concludeerde dat het slechts een kwestie van tijd zou zijn voordat er een bom in Brussel zou afgaan. Je zou denken dat media collega’s applaudisseren voor iemand die het presteert om een jaar tussen de haatpredikende muzelmannen te wonen en leven zonder te radicaliseren maar nee. Van getolereerde outsider promoveerde Arthur tot de paria die het feestje van de multicul kwam verstoren. Dat een bom in Brussel een kwestie van tijd is, dat kan je toch niet zeggen! Niet schrijven! Arthur weg weggezet als snuivende junk. Kwam niet meer aan de bak. En vertrok naar Paraguay.

IRL heb ik Arthur al jaren niet gezien maar Facebook en Twitter hebben onze correspondentie hernieuwd. En nog altijd ben ik bang van hem. Vermogen en uiterlijk van een man doen me niets. Zijn schrijftalent daarentegen… Helló! Junk of niet, alcoholist of niet, pauper of niet, Arthur van Amerongen is de man die me kapot kan maken. De zichzelf bewierokende grachtengordel denkt iets te kunnen maar weet, geconfronteerd met types als Arthur, Robbie, Paul en wijlen Theo dat ze nog niet eens het grind onder de zolen van deze mannen zijn. En doet, in plaats van authenticiteit te omarmen, tot grotere hoogte te duwen, waar de middelmaat goed in is: afserveren.

Nu blijkt de raaskallende junk een afgeserveerde profeet te zijn. Foutje bedankt. Maar profeet doet Arthur tekort. De man die van huis uit gelovig christen is, zich ooit tot het jodendom wilde bekeren en tenauwernood ontsnapte aan bekering tot de islam, is een man die weet waar hij over praat. Hij heeft tussen alle gelovigen van de wereld gewoond. Hij heeft al die sprookjesboeken gespeld en ontleed. En spreekt alle talen waarvan de grachtengordel het bestaan niet eens afweet. Het zal ze jeuken. Het zal mij jeuken. Maar vooral: het zal Arthur jeuken.

Tijd om de middelmaat zelf af te serveren. Geef ze Arthur van Amerongens Brussel Eurabia cadeau. Het leest als een trein, is, zoals het hoort, openhartig en heeft totaal geen ontzag voor heilige huisjes. Geef het niet alleen aan de mensen die je lief hebt, maar vooral aan degenen die je achter het behang kunt plakken. Aan die mensen die het NOS journaal en VARA kijken, Volkskrant, Joop en De Correspondent lezen. Ze zullen je verafschuwen. Schoont je adressenboek lekker op. EINDELIJK. Thanks Arthur.

Bij PAUW – Ebru Umar in discussie met Huseyin Sayilgan

Rotterdam, de allermooiste rotstad die er is

Eind april kwam er een telefoontje: “Dag mevrouw Umar, Rogier van De Gier hier. We wilden morgen de gordijnen komen inmeten maar ik geloof niet dat u thuis bent hé?” Terwijl ik landarrest had in Turkije, werd in Nederland met man en macht aan mijn terugkeer gewerkt – tot op het niveau van de woninginrichters toe. Half maart had ik getekend voor een pied à terre in Rotterdam – niet wetend dat die woning in no time zou promoveren tot hoofdwoning. Hoe confronterend het telefoontje ook was, de ultieme bevestiging dat ik inderdaad een leven in Nederland heb dat op me wacht, een leven dat de afslag “Rotterdam” had genomen terwijl het op dat moment redelijk vastzat in Turkije, het was ook hilarisch. Rotterdamse humor. Nee, ik ben niet thuis nee. En ik heb ook geen enkel zicht op wanneer ik dat wel ben. “Belt u maar wanneer u weer hier bent en we wensen u heel veel sterkte!”.

Leven in hotel mama

Een week na mijn terugkeer uit Turkije woonde ik al in Rotterdam, bij mijn ouders. Geen betere plek om de gevolgen van PTSS, een diagnose die door de ervaringsdeskundigen die me opvingen, werd gesteld, het hoofd te bieden. Ik nam het voor kennisgeving aan. Hoe traumatisch kan dat nou zijn, landarrest? Ik woonde niet onder een brug en at niet uit vuilnisbakken; bovendien had ik het beste uitzicht van de Turkse westkust én wist ik dat ik terug zou komen. Het was alleen de vraag of dat op een legale manier zou gebeuren. Maar eenmaal terug, kwam inderdaad die megaklap: de vermoeidheid was onbeschrijflijk, mijn geheugen blokkeerde en mensen mijden werd een tweede natuur. Ik transformeerde tot het kind van mijn ouders maar dan als zesenveertigjarige zesjarige. Weg uit de stad en woning waar ik 18 jaar gewoond had, terug in een totaal andere werkelijkheid met een paar constante factoren: familie en vrienden die me opvingen en een huis in Rotterdam waar vijf man dag en nacht aan werkten om het zo snel mogelijk bewoonbaar te maken.

Niet dat ik dat wilde: leven in hotel mama met als enige daginvulling eten en slapen, geeft troost. Maar mijn moeder wilde er niets van weten. Ze dirigeerde me naar meubelzaken voor mijn nieuwe inrichting (hartjes voor het Alexandrium), stuurde me zowel naar de Bijenkorf als naar musea om weer onder mensen te komen (het aardige woord van de suppoost in Boymans Van Beuningen maakte mijn zondag), en liet, toen ik het echt niet aankon, de kapper aan huis komen. 17 juni kwam tot schrik van de aannemers de verhuiswagen voorrijden “mevrouw Ebru, had dat niet een week later gekund?”. Nee. Als je met je beide ouders ‘gezellig’ een wasmachine gaat kopen op zaterdagochtend omdat “je een wasmachine natuurlijk niet online koopt, je wilt toch service en advies? Bovendien moet de lokale middenstand ook ergens van leven en die meneer op Vlietlaan levert hele goede service”, weet je dat je inmiddels van zes naar achttienjarige ben gepromoveerd maar dat dat nog steeds niet je ‘echte’ leven is. Je eigen leven.

De tweede ronde van mijn leven

Twee nummers dreunen ondertussen door mijn hoofd – niet toevallig allebei van Thomas Acda en Paul de Munnik. In Het regent zonnestralen leest de antiheld Herman in de krant dat ‘ie dood is terwijl hij springlevend op een bankje in het park zit: “Ik heb een tweede kans gekregen en da’s meer dan ik verdien”. Het is precies zoals ik me voel. Niet dat ik in kansen denk maar wel in rondes: het is de tweede ronde van mijn leven, ik ben bezig de basis te leggen voor de komende vijfenveertig jaar en dat die basis in Rotterdam ligt, voel ik in elke vezel van mijn lijf. Ondertussen ben ik Opeens Overal – een nummer van Paul de Munnik op zijn eerste solo CD Nieuw. Overal waar ik kom, word ik aangesproken. Verschrikkelijk vriendelijk en lief, maar mensenschuw als ik ben geworden, schrik ik er elke keer van. De eerste overwinning op mezelf komt op het CHIO, als een beveiliger me onderzoekend aankijkt: “Ken ik jou niet ergens van?” en ik het weet te pareren “Nee je vergist je, dat moet iemand anders geweest zijn.” Ja het gaat weer goed met me. Rotterdam is een warm bad, Rotterdam omarmt me en ik omarm Rotterdam met alles wat in me zit.

Maar toch. Opeens ben ik alleen in een nieuwe stad onder nieuwe omstandigheden. Mijn vriendinnen mis ik niet, die zag ik toch alleen op afspraak en die afspraken gaan gewoon door. Mijn kunstenaarsvrienden, muzikanten, fotografen, auteurs – ZZP’ers die ‘altijd’ tijd hebben voor spontane koffie, lunch of ijs des te meer. Ik moet erop uit, in Amsterdam zat ik zeker twee keer per week in theater of bioscoop, ik moet mijn nieuw ontwikkelde pleinvrees het hoofd bieden. Een optreden van Mike Boddé en Tom Beek is mijn eerste uitje – ondanks dat ik op het laatste moment word afgebeld door een vriendin. Dan maar alleen, ik kán dit. De waarheid is dat ik alleen mezelf ertoe zet om over de Erasmusbrug naar het Walhallatheater te fietsen, omdat Mike kaartjes voor me heeft klaargelegd. En dan ga je, bonzend hart of niet. De ontlading dat je het kunt, een eind fietsen, tussen veel vreemde mensen in een zaal zitten en na afloop opgelucht met Mike en Tom drinken en lachen – het is een stapje in het teruggrijpen van mijn leven. Maar dan in Rotterdam.

En dan komen ook mijn kunstenaarsvrienden naar Rotterdam. Componist en voormalig overbuurman Reza Namavar komt controleren of ik wel veilig woon. Een wandeling naar de Schone Lei aan de Kralingse Plas zonder enige confrontatie met rellende Marokkanen, stelt hem gerust. Met Robbie Muntz en Paul Jan de Wint, voormalig programmamakers en vrienden uit de tijd dat Theo van Gogh nog leefde, gaan we naar de Markthal en halen we patat bij Bram, alvorens bij De Tuin écht te eten. Met muzikant Marcel Harteveld ontbijten we bij het NHow hotel en hangen we in de zon op het terras bij Hotel New York. Leo Beenhakker loopt voorbij. Ik wijs naar de overkant, waar ik weet dat op de Westerkade een waanzinnig appartement te koop staat. “300m2, ik weet niet zo goed of dat nou te groot is of niet?” Schrijvers Annabel Nanninga en Willem Jan Hildrink helpen me de allerlaatste kast naar Rotterdam verhuizen. Fotograaf Thomas Schlijper belt spontaan als hij in Den Haag zit: “Ik rijd door naar jou, eten we een ijsje.”

Mooier, Wereldser

In de achttien jaar dat ik niet in Rotterdam gewoond heb, is de stad spannender geworden. Mooier. Wereldser. Maar dat mag je toch verwachten ook, dat niets achttien jaar hetzelfde blijft? Koekela is Dudok met sprongen voorbijgestreefd als het om taarten gaat, en Van den Assem heeft inmiddels een waanzinnige webshop – toch blijft de service in de winkels de moeite waard om de Aert van Nesstraat te bezoeken. Een vriend wijst me op de beste kleermaker en stomerij van de stad in De Pannenkoekstraat, en passant koop ik een leren broek in een van de geweldige boetieks daar. Mijn Rotterdamse vriendinnen melden zich: “E, ben je gesettled?” Absoluut. Ik ben meer dan gesettled. Ik ben gehecht. De gordijnen hangen inmiddels; volgende week komt De Gier de horren inmeten.